Van een bruto technisch salaris houd je in 2026 netto tussen de 73 en 95 procent over: een starter met €2.300 bruto per maand houdt netto ongeveer €2.180 over, terwijl een leidinggevende met €5.200 bruto rond de €3.770 netto overhoudt. Het verschil komt door de progressieve belastingschijven en de heffingskortingen, die bij een lager inkomen relatief veel zwaarder wegen dan bij een hoger salaris. Dit artikel rekent de salarisbandbreedtes uit wat je in de techniek verdient om naar concrete nettobedragen, en laat zien wat toeslagen, overuren en heffingskortingen echt doen met je maandinkomen.
Netto per salarisbandbreedte: dit houd je over in 2026
Per salarisbandbreedte in de techniek houd je in 2026 netto tussen de 73 en 95 procent van je brutoloon over, oplopend van bijna €2.200 voor een starter tot ruim €3.750 voor een leidinggevende. Onderstaande bedragen zijn een indicatieve jaarberekening (bruto maandloon × 12) voor een alleenstaande zonder toeslagpartner, op basis van de belastingschijven en heffingskortingen voor 2026 Belastingdienst: tarieven box 1. Vakantiegeld en de werknemersbijdrage pensioenpremie zijn er nog niet in verwerkt.
- Starter (0–2 jaar), bruto €2.000–€2.600: bij €2.300 bruto per maand houd je netto ongeveer €2.180 over — bijna 95 procent van het brutoloon, omdat de heffingskortingen bij dit inkomen nog nauwelijks afbouwen.
- Ervaren medewerker (3–7 jaar), bruto €2.600–€3.400: bij €3.000 bruto houd je netto circa €2.610 over, zo'n 87 procent van het brutoloon.
- Specialist / senior (8–15 jaar), bruto €3.400–€4.500: bij €4.000 bruto houd je netto ongeveer €3.180 over, ruim 79 procent, doordat een deel van het inkomen in de tweede belastingschijf (37,56%) valt.
- Leidinggevende / manager (15+ jaar), bruto €4.200–€6.000: bij €5.200 bruto houd je netto ongeveer €3.770 over — ruim 27 procent gaat naar belasting en premies, tegenover amper 5 procent bij een starter.
Hoeveel je uiteindelijk netto overhoudt, hangt mede af van de pensioenregeling in jouw cao. De cao Metaal en Techniek 2026 legt bijvoorbeeld de salarisschalen en pensioenafspraken vast waarmee je werkgever rekent, en die verlagen het hier berekende nettobedrag met gemiddeld nog eens enkele procenten.
Zo werken de belastingschijven in 2026
In 2026 kent box 1 van de inkomstenbelasting drie schijven: 35,75 procent tot €38.883, 37,56 procent tot €78.426 en 49,5 procent daarboven Belastingdienst: box 1 tarieven. Deze schijven zijn niet cumulatief voor je hele inkomen: alleen het deel van je loon dat boven een schijfgrens uitkomt, wordt tegen het hogere tarief belast.
Voor de meeste technici in loondienst blijft het volledige inkomen binnen de eerste schijf: bruto €38.883 per jaar komt overeen met ongeveer €3.240 per maand. Pas bij een salaris boven die grens — zoals bij specialisten en leidinggevenden, of bij de best betaalde technische beroepen van 2026 — telt een deel van het inkomen mee tegen 37,56 procent. Dat verklaart waarom het nettopercentage bij hogere salarissen sneller daalt dan bij lagere.
Ten opzichte van 2025 is het tarief van de eerste schijf licht verlaagd (met 0,07 procentpunt) en dat van de tweede schijf licht verhoogd (met 0,08 procentpunt), terwijl de schijfgrenzen zijn opgetrokken voor de inflatie. Voor de meeste technici met een salaris in de eerste schijf pakt 2026 daardoor nettogezien iets gunstiger uit dan 2025; wie net de tweede schijf ingroeit, merkt daarvan iets minder.
Heffingskortingen: waarom een lager inkomen relatief meer overhoudt
Heffingskortingen zorgen dat een lager inkomen verhoudingsgewijs meer nettoloon overhoudt, omdat ze een vast bedrag aftrekken van een kleinere belastingaanslag. Bij een starterssalaris compenseren de kortingen bijna de volledige verschuldigde belasting; bij een hoger inkomen bouwen ze juist af.
De algemene heffingskorting bedraagt in 2026 maximaal €3.115 en geldt voor iedereen met een belastbaar inkomen Belastingdienst: algemene heffingskorting. Vanaf een inkomen van €29.737 bouwt de korting af met 6,398 procent per euro extra inkomen, tot nihil bij €78.426.
De arbeidskorting loopt in 2026 op tot maximaal €5.685 bij een arbeidsinkomen rond €45.592, en bouwt daarna af met 6,51 procent per euro extra inkomen Belastingdienst: arbeidskorting. Onder de €45.592 bouwt de korting juist geleidelijk op, wat verklaart waarom een salarisstijging in de lagere inkomens relatief het meeste extra nettoloon oplevert.
Voor jongere starters die nog een jeugdloon in de techniek verdienen, geldt dat de heffingskortingen bij een laag jaarinkomen vaak hoger zijn dan de verschuldigde belasting. Het onbenutte deel van de korting keert de Belastingdienst niet automatisch uit — een reden waarom bijverdienen naast een studie of BBL-traject soms weinig fiscaal voordeel oplevert.
Rekenvoorbeeld: van €3.000 bruto naar netto in vier stappen
Een bruto maandsalaris van €3.000 levert in 2026 netto ongeveer €2.612 per maand op, oftewel 87 procent van het brutoloon. Zo kom je op dat bedrag.
- Bepaal het bruto jaarinkomen: €3.000 × 12 maanden = €36.000.
- Bereken de verschuldigde belasting: bij €36.000 valt het volledige inkomen in de eerste schijf, dus 35,75% × €36.000 = €12.870.
- Trek de heffingskortingen af: de algemene heffingskorting bouwt bij dit inkomen al iets af (€2.714) en de arbeidskorting bedraagt €5.498, samen €8.212 aan korting.
- Bereken het netto jaarinkomen: €36.000 − (€12.870 − €8.212) = €31.342, oftewel €2.612 netto per maand.
Voor een specialist met €4.500 bruto per maand loopt dezelfde berekening anders, omdat een deel van het inkomen in de tweede schijf valt.
- Bruto jaarinkomen: €4.500 × 12 = €54.000.
- Belasting: €38.883 × 35,75% = €13.901 in de eerste schijf, plus (€54.000 − €38.883) × 37,56% = €5.678 in de tweede schijf; samen €19.579.
- Heffingskortingen: de algemene heffingskorting bouwt af naar €1.563, de arbeidskorting naar €5.138; samen €6.700 aan korting.
- Netto jaarinkomen: €54.000 − (€19.579 − €6.700) = €41.121, oftewel €3.427 netto per maand — ruim 76 procent van het brutoloon.
Toeslagen: hoe een hoger nettoloon je zorgtoeslag kan wegnemen
Toeslagen zoals zorgtoeslag dalen of vervallen zodra je jaarinkomen boven een vaste grens komt, waardoor een hoger brutoloon soms minder extra besteedbaar inkomen oplevert dan het lijkt. Een alleenstaande heeft in 2026 nog recht op zorgtoeslag tot een jaarinkomen van €40.857 Belastingdienst: inkomensgrens zorgtoeslag.
Dat betekent dat een ervaren technicus met €36.000 bruto per jaar nog (deels) zorgtoeslag ontvangt, terwijl een specialist met €48.000 bruto per jaar die toeslag volledig is kwijtgeraakt. Bij een salarisstap over die grens heen is het dus verstandig om niet alleen naar het brutobedrag te kijken, maar ook naar het effect op je toeslagen — het financiële voordeel van de loonstijging kan daardoor kleiner uitvallen dan de brutostijging doet vermoeden. Hetzelfde mechanisme geldt voor huurtoeslag, die eveneens afhankelijk is van je (gezamenlijke) verzamelinkomen.
Met een toeslagpartner tel je voor de meeste toeslagen het gezamenlijke inkomen, waardoor de grens verschuift maar niet simpelweg verdubbelt. Twee technici die allebei rond het modale inkomen verdienen, kunnen daardoor samen sneller boven de gecombineerde inkomensgrens voor zorgtoeslag uitkomen dan wanneer ieder afzonderlijk zou worden getoetst. Wie gaat samenwonen of trouwen, doet er daarom goed aan de toeslagen opnieuw te laten doorrekenen in plaats van uit te gaan van de bedragen die als alleenstaande golden.
Overuren en toeslagen: hoger bruto, maar ook hogere belasting
Overuren en onregelmatigheidstoeslagen worden fiscaal gewoon bij je reguliere loon opgeteld en dus belast tegen hetzelfde tarief als de rest van je inkomen, niet apart of lager. Wie overuren laat uitbetalen in plaats van tijd-voor-tijd op te nemen, ziet dat extra bedrag dus belast worden tegen zijn eigen marginale tarief: voor de meeste technici 35,75 procent, voor specialisten en leidinggevenden die al in de tweede schijf zitten 37,56 procent.
Bij een ploegentoeslag van 20 tot 40 procent bovenop het basissalaris blijft, ook na belasting, nog altijd een aanzienlijk deel netto over: van elke extra bruto euro aan toeslag blijft in de eerste schijf ongeveer 62 tot 64 cent netto over, en in de tweede schijf zo'n 60 tot 62 cent. Toeslagen blijven daarmee financieel de moeite waard, ook al gaat er procentueel meer belasting vanaf dan over je basisloon.
Een voorbeeld: een monteur met een uurloon van €18 die 8 overuren per maand tegen anderhalvvoud laat uitbetalen, ontvangt daarvoor €216 bruto extra (8 × €18 × 1,5). Valt dat bedrag volledig in de eerste schijf, dan houdt hij daar netto ongeveer €135 tot €140 van over, nadat het effect van de heffingskortingen is meegenomen. Draait iemand structureel over meerdere maanden extra uren, dan telt dat bedrag ook mee voor de opbouw van de arbeidskorting, wat het werkelijke nettovoordeel op jaarbasis iets kan verhogen.
Pensioenpremie: de inhouding die niet in de belastingschijven zit
Naast loonheffing trekt je werkgever ook de werknemersbijdrage pensioenpremie af van je brutoloon, voordat de rest netto wordt uitbetaald. Deze premie verschilt per pensioenfonds en cao, maar ligt in de techniek doorgaans op enkele procenten van het pensioengevend salaris.
Omdat de premie wordt afgetrokken vóórdat de loonheffing wordt berekend, verlaagt ze niet alleen je nettoloon maar ook (licht) je belastbaar inkomen. De netto-effecten die in dit artikel zijn berekend, houden nog geen rekening met deze inhouding — reken dus op een iets lager bedrag op je loonstrook dan de indicatieve cijfers hierboven.
De zorgverzekeringswet (Zvw) kent voor werknemers in loondienst geen aparte inhouding op het nettoloon: de werkgever draagt de inkomensafhankelijke bijdrage af zonder dat dit op jouw loonstrook als aftrekpost verschijnt. Dat is een belangrijk verschil met zzp'ers, die de Zvw-bijdrage zelf via de belastingaangifte betalen bovenop de inkomstenbelasting.
Conclusie: reken je eigen netto salaris uit voordat je onderhandelt
Het verschil tussen bruto en netto in de techniek loopt in 2026 uiteen van amper 5 procent bij een starterssalaris tot ruim 27 procent bij een leidinggevende functie, puur door de progressieve belastingschijven en de afbouw van heffingskortingen. Wie een nieuwe baan overweegt of onderhandelt over een loonsverhoging, doet er goed aan niet alleen naar het brutobedrag te kijken, maar ook naar het effect op de eigen belastingschijf, heffingskortingen en eventuele toeslagen.
Gebruik de gratis Banenscan om te ontdekken welke vacatures aansluiten op jouw salarisambities, of bekijk direct de openstaande technische vacatures om te zien wat vergelijkbare functies elders bruto betalen.
Was dit artikel nuttig?
Laat het ons weten — zo maken we onze artikelen beter.
Norick Engberts
Specialist techniek bij MijnTechCarrière
Veelgestelde vragen
Ja, vakantiegeld (doorgaans 8% van je jaarloon) telt volledig mee als belastbaar inkomen en wordt meestal in mei apart uitbetaald tegen het bijzonder tarief. Dat tarief is gebaseerd op je jaarinkomen van het voorgaande jaar en kan daardoor tijdelijk afwijken van je reguliere maandtarief, maar bij de jaarlijkse belastingaangifte wordt het uiteindelijk verrekend tegen de daadwerkelijke schijf.
Nee, je kunt de loonheffingskorting maar bij één werkgever tegelijk laten verrekenen. Kies je ervoor om dit bij je hoofdbaan te doen, dan wordt op je bijbaan het volledige tarief ingehouden zonder korting, wat in de maandelijkse loonstrook een lager nettobedrag geeft dan je op basis van je totale jaarinkomen zou verwachten. Bij de jaarlijkse aangifte wordt dit gecorrigeerd.
Bij een periodieke loonsverhoging houd je meestal zo'n 60 tot 65 procent van het brutobedrag netto over, omdat de verhoging in dezelfde of een hogere belastingschijf valt en de heffingskortingen bij een hoger inkomen verder afbouwen. Een verhoging die je net over de grens van €38.883 jaarinkomen tilt, wordt voor het deel daarboven tegen 37,56 procent belast in plaats van 35,75 procent.
Nee, een zzp'er betaalt geen loonheffing maar doet jaarlijks aangifte inkomstenbelasting, met recht op ondernemersaftrekposten zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Daardoor kan het effectieve belastingtarief voor een zzp'er met een vergelijkbaar inkomen lager uitvallen dan voor een werknemer in loondienst, al mist een zzp'er ook werkgeversvoorzieningen zoals doorbetaling bij ziekte en pensioenopbouw.
Het loon waarover je loonheffing betaalt is meestal iets lager dan je brutoloon, omdat de werknemersbijdrage pensioenpremie er al vanaf is getrokken. Zie je op je loonstrook een lager bedrag dan je oorspronkelijke bruto maandsalaris staan vóórdat de belasting wordt berekend, dan komt dat vrijwel altijd door deze pensioeninhouding.



